X

X

- Door Antje P -

  

Daar ligt ze dan. Voor zich uitstarend in haar nieuwe slaapkamer. Mia is net verhuisd naar het platteland. Liggend op haar bed en met haar hoofd rustend in haar handen denkt ze na over ‘haar stad’ Amsterdam. Daar waar haar beste vriendin woont. Even appen met Elisa om af te spreken in het park. Samen bedenken wat ze gaan doen. Shoppen of een lekkere donut halen. Maar nu zit ze hiér op het Friese platteland met geen enkele winkel in de buurt. Dit nieuwe huis heeft voor iedereen een eigen slaapkamer. Zelf heeft ze een grote slaapkamer met een grote inbouwkast. Er kunnen wel drie vriendinnen tegelijk komen logeren. Maar ja, die wonen niet meer in de buurt. Naar school hoeft ze nog niet, want het is nog vakantie. Straks als de scholen weer beginnen, zal ze 10 kilometer moeten fietsen naar haar nieuwe middelbare school. Ja, 10 kilometer! Wie verzint het ook om hier te gaan wonen! Mia was het er ook helemaal niet mee eens. Maar haar moeder moest en zou terug naar haar roots! Nou, die roots van Mia liggen echt niet hier maar in haar geliefde stad. ‘Mia, ga je mee fietsen?’ Mia schrikt op. Ze is even in slaap gedommeld. Het is haar broertje Noa. Hij klopt op haar slaapkamerdeur. Wauw, dat heeft ze hem snel geleerd! Nu ze haar eigen slaapkamer heeft en deze niet meer met haar broertje hoeft te delen, heeft ze tegen hem gezegd dat hij niet zomaar haar kamer meer in mag stormen. ‘Kom maar binnen! ‘roept Mia. Noa staat te springen van opwinding. ‘Wij mogen van mam wel even rondje fietsen! Ga je mee?’ vraagt Noa. ‘Vooruit dan maar, ik heb toch niets beters te doen’, antwoordt Mia. Even later zitten ze ieder op hun fiets. Daarvoor hoeven ze niet meer eerst naar de donkere kelder. Ze hebben nu een grote schuur met een bordje ‘daalders plakje’. Mia heeft haar moeder gevraagd wat het betekent. Iets als een unieke plek heeft ze haar verteld. Nou uniek is het zeker! Hier is niemand, zie je alleen maar groene weilanden om je heen en hoor je alleen maar vogels fluiten. Mia mist de drukte van de stad, de verschillende typen mensen en de verschillende talen die ze hoorde. ‘Kom je nog?’, roept Noa. ‘Ja, ja, ik kom al!’, roept Mia. Ze fietsen door hun straat, De Mûnewei. Mia kan het echt niet uitspreken. Bij een huis verderop staat een man met een hond. ‘Goeie’, roept hij. Noa die nieuwsgierig is en dol op honden, stopt meteen. ‘Jim binne seker de nije buorlju?’, vraagt de man. Als de man ziet dat ze het niet hebben begrepen, herhaalt hij zijn vraag in het Nederlands. ‘Ja, wij wonen in het huis verderop’, antwoordt Noa. ‘Ah, dat tocht ik al’, zegt de man. ‘Wolkom hjer. Ha jim it al nei jim sin hjir?’ Dan komt een vrouw ook aanlopen. ‘Hé goedemorgen, staat mijn man meteen weer allerlei vragen te stellen?’, zegt ze. Het valt Mia op dat zij niet Fries praat. De man ziet de verbazing op Mia haar gezicht. ‘Nee, net elts praat hjir Frysk hjer’, zegt hij. ‘Kinst it famke wol út Amsterdam helje, mar Amsterdam net út it famke!’ De vrouw legt het uit: ‘Ik ben in hart en nieren een Amsterdammer, maar de liefde voor mijn man en het Friese platteland heeft mij hier gebracht.’ Mia haar zorgen lijken iets lichter te worden. Natuurlijk! In haar hart is en blijft ze Amsterdammer en met deze vrouw kan ze het daar vast en zeker eens over hebben