Misschien
Misschien
- Door Robin Foppele -
Ze ontmoetten elkaar op een klein station, ergens tussen twee steden die voor hen allebei slechts tussenstops waren. Het was vroeg in de ochtend en de wereld leek nog half te slapen. De lucht hing grijs boven de rails en de klok tikte trager dan normaal. Zijn trein had vertraging. Die van haar ook.
Hij zat op een bankje met een boek in zijn handen, maar zijn ogen bleven hangen op dezelfde pagina. Zij stond een paar meter verderop, haar handen diep in haar jaszakken, alsof ze zichzelf warm probeerde te houden tegen iets dat niets met de kou te maken had.
Hun blikken kruisten elkaar onverwacht. Geen schok, geen plotselinge spanning, maar iets rustigs. Alsof ze elkaar al eerder hadden gezien, in een ander leven misschien, of in een gedachte die ze nooit hardop hadden uitgesproken.
Ze begon te praten. Over de vertraging, over hoe treinen altijd te laat lijken te komen wanneer je ergens naartoe moet dat belangrijk voelt. Hij glimlachte en antwoordde, eerst voorzichtig, daarna steeds makkelijker. Hun woorden vonden elkaar zonder moeite, alsof ze elkaar al jaren kenden.
Hij vertelde dat hij vertrok. Niet zomaar op reis, maar weg van alles wat hij kende. Een nieuwe stad, een nieuwe kans, zei hij. Zij knikte en zei dat zij juist terugging. Terug naar een plek die ze ooit had verlaten, omdat blijven toen te moeilijk was geweest.
Het leek een tegenstelling, maar het voelde als hetzelfde.
Toen de trein eindelijk arriveerde, stapten ze samen in zonder het te bespreken. Ze gingen tegenover elkaar zitten, hun knieën bijna rakend bij elke beweging. Buiten schoof het landschap voorbij, maar binnen ontstond iets dat geen haast had. Ze praatten, maar lieten ook stiltes vallen die niet ongemakkelijk waren. Stiltes waarin genoeg werd gezegd zonder woorden.
Na een tijdje kwam haar halte in zicht. Ze stond op, hij volgde haar blik naar buiten. Dit was het moment waarop iets gezegd moest worden, maar geen van beiden wist wat.
“Misschien,” zei hij uiteindelijk, alsof dat ene woord alles kon dragen wat hij niet kon uitleggen.
Ze glimlachte zacht. “Misschien.”
En toen stapte ze uit. De deuren sloten. De trein reed verder. Hij keek niet achterom.
Jaren gingen voorbij. Ze leefden hun levens, maakten keuzes, verloren dingen en vonden nieuwe. Maar ergens bleef dat ene moment bestaan, klein maar onverwoestbaar.
Tot ze elkaar weer zagen. Niet op een station, maar in een stille boekwinkel in een stad die voor hen allebei nieuw was. Hun handen reikten tegelijk naar hetzelfde boek. Dit keer raakten ze elkaar wel.
Ze keken op.
En daar was het weer.
“Je hebt het gehaald,” zei ze.
Hij knikte. “Jij ook.”