Khaneh

Khaneh

- Door Livia van Iersel -                                                                                                                    

  

450 v.Chr.  

  

Het lijkt wel een eeuwigheid geleden, de dag dat ik als slaaf naar Athene werd gebracht. Ik, Amad, ben een Pers. Ik was een soldaat en we hadden met ons leger net de laatste strijd tussen Perzië en Griekenland verloren. Ma hame chiz ra az dast dadim. We waren alles kwijt, in één klap. Toen ik in Griekenland aankwam werd ik verkocht aan een rijke boer waarbij ik de hele dag moet werken op het land. Het is heel hard werken. Zo ziet mijn dag er ongeveer uit.  

Als de zon net op is word ik wakker op een koude vloer in de slaaphut. Ik slaap op een mat van stro, zonder kussen, met een ruwe wollen deken over me heen. Mijn lichaam voelt zwaar en mijn handen doen pijn van het werk van gisteren. Het is nu lente, de nachten zijn nog koud maar straks wordt het weer veel te warm. Sar-am khali ast, mijn hoofd leeg, ama del-am por az khaterat ast. Mijn hart zit vol herinneringen.  

Voor ontbijt krijg ik meestal weinig: oud brood of wat pap van gerst. Eten is simpel en altijd hetzelfde. Vandaag moet ik druiven plukken voor de wijn. Mijn werkdag begint bij zonsopgang en eindigt pas als de zon ondergaat. In de zomer is dat wel 12 uur per dag. Geen pauzes, alleen soms brood en water. Het werk is saai en zwaar.  

Eerst pluk ik druiven, vul manden en draag ze naar de pers. Mijn handen worden paars en ruw van het sap. Er staat altijd iemand naar ons te kijken, een vrije man die oplet of we goed werken. Als ik iets fout doe scheldt hij me uit en soms word ik geslagen met een stok. Zamin mesl atash ast. De grond brandt onder mijn voeten. Het is zo warm en we krijgen weinig water.  

Na het werk krijgen we ons avondeten: pap, groenten en soms een beetje wijn. Daarna gaan we terug naar de slaaphutten. Soms praat ik zacht met anderen over vroeger. Khaneh… fluister ik dan. Thuis.  

Mijn vriend is hier geboren en kent niets anders. Hij kent zijn ouders niet eens meer. We dromen soms over vrijheid. Ik heb een familie in Perzië die ik nooit meer zal zien. Mijn vrouw en mijn kinderen. Esther is 5 en Omar 8! Man delam tang shodeh… ik mis ze zo erg.

Het voelt alsof mijn leven niet meer van mij is. Ik mag geen keuzes maken. Ik word behandeld als een eigendom, een dier! Mijn hoofd zegt dat ik moet volhouden, maar mijn hart wil naar huis. Soms denk ik aan ontsnappen, maar waarheen? Rah nist. Er is geen weg.

Ik stop nu met schrijven. Ik ben moe en mijn handen trillen. Morgen wacht weer een lange dag.  

Amad sluit zijn ogen en denkt aan zijn gezin, aan zijn thuis. Zijn meester is niet de slechtste en laat soms slaven vrij na jaren werken. Een kleine hoop. Misschien zal hij ooit vrij zijn. Zijn hart blijft hopen.